De wekker die je wakker maakt
De hond die je elke dag uitlaat
De dagen die voorbij gaan
De nacht die om je heen slaapt
Alles is timing
Je geliefde die je hart in stukken breekt
De troostende sigarettenrook die je inhaleert
Twee mensen die mekaar bij toeval ontmoeten
De woorden die het eerste gesprek voeden
Alles is timing
De eerste wandeling met schuifelende voeten
Lippen die elkaar voor het eerst proeven
De blik die in mekaars ogen blijft haken
Mijn hoofd duizelt van de liefde
voor de sterren,
maar de strijd zal ons afmaken
en dan glimlachen we naar al onze vrienden.
We hangen onze hoofden naar beneden,
rechten onze rug tegen de muur
en ik huil bij het treinstation
omdat ik je gezicht niet kan zien.
Er is geen nieuw begin totdat iedereen ziet
dat de oude manieren moeten eindigen
maar het is moeilijk te accepteren
dat jij en ik één en hetzelfde vlees zijn.
Alles wat ik te zeggen heb is al gezegd,
je hebt het ook al van jezelf gehoord
toen je in je bed lag en niet kon slapen.
En ik,
ik luister naar elke kleine fluistering in de verte
en hoor hoe de stroming versnelt
maar de rivier almaar vertraagt.
Vandaag zag ik een tranengevecht tussen twee mensen, ze ebden en vloedden al weken over en weer en wisten niet waar te stranden.
Ik nam ze bij de hand, leidde hen op de trap, zette ze aan mijn keukentafel en gaf hen koffie en taart.
Ik luisterde naar hun verhalen, keek hen in de ogen en woog de lasten die ze op de schouders dragen.
Ik ben bang om jou te geloven, zei hij. Ik ben bang als de dood, zei zij. En wat met het kind dat we in ons dragen, zeiden ze allebei.
Ik zei niets en liet hen praten, eerst tegen mij en uiteindelijk eindelijk tegen mekaar, zodat ik zonder dat ze het merkten stil kon verdwijnen om verse koffie te maken.
Elke dag zit vol signalen, waarschuwingen tegen gevaar, uitnodigingen voor verborgen gebaren, uitdagende avonturen, boodschappen vol onlust, vertederende gedachten.
Bling, piep, kwak,
tring, ding-dong, tjak,
cijfertjes in een rood kader,
met of zonder bijlage.
De letters stromen binnen in half afgewerkte zinnen van een bedenkelijk allooi, bulken van dramatiek, staan bol van de vragen en verlangens, brengen me in een onderstroom.
Ik loop er omheen, zet de dag op papier, en nog één en nog één om uiteindelijk alle woorden naast me neer te leggen, ik plooi ze tot een hoed en ga er onder wonen.
En zo doe ik niets. Nog niets. Ik snij lijnen door. Ik trek de kronkels in de hersenen recht en ga de dag achterwaarts leven, van achteren naar voren.
[2]
Waarom blijf ik toch antwoorden, replyen op de kromme zinnen en de scheve woorden die eigenlijk overbodig zijn net zoals alle mode- en kookprogramma’s op teevee.
Ik lees Plouvier en hij brengt me raad, neemt me mee doorheen de maanden van het jaar, slaat zijn weerslag tegen mijn gloeiende slapen.
“Niemand weet de weg naar vandaag”, lees ik traag en herlees de woorden zo dikwijls tot dat ik ze proef en voel dwarrelen op mijn maag, de gedachte doet me blaken.
Ik vraag aan mezelf of ik kan slapen, of ik kan snoeien. Ja, de wortels kunnen terug kunnen ademen, ik kan een boom verplanten in een landschap waarin ik graag vertoef.
Dit landschap brengt rust, ook al is het zaterdag, lees ik overal over ieders leed, het is de tijd van het jaar die alle inkomende berichten van vandaag omkleedt.
Ik zag Roos en Roos zag mij. En aan de bar raken we naast mekaar achteraf. En we dronken samen een glas tussen het warme nat van lippen en tong. "Wil je daar dan zijn misschien?", vroeg ze mij. Ik vergis me niet en zet me voor het raam dat de stad zacht omlijst en wacht hoopvol op de eerste sneeuw van het jaar.
Ik verlaat de oude meesters en neem je mee om af te rekenen met alles wat ik heb opgeslagen in mijn geheugen, in mijn handen, in mijn hart, in mijn tranen.
Alles is onbelangrijk, maar ook alles zal blijken onbelangrijk te zijn, ik, de planeet, alle geliefden, alleen het borstbeen blijft overeind.
Wat doe ik met een borstbeen, dat het geen borstbeen meer is maar des te meer een borstbeen is en zal zijn?
Ik ga door het borstbeen, door tot aan de rug om terug tot aan het borstbeen te geraken, om een antwoord te geven op alle vragen voor dat het vragen zijn.
Als de middernachtklokken luiden en de dag stopt met blaffen in mijn hoofd, de avond me een lege bladzijde geeft, dan schrijf ik jou.
Over de voorbije dag en al de fijne gedachten die passeerden, over de koffie in het café om de hoek, over de snelle kus in jouw zetel, de sigaret die we samen opsteken, het aaien van jouw hond.
Over de zachte kilometers die aan me kleven, de zinnen uit jouw half uitgelezen boek, over het beminnen in mijn slaap en de gedachte dat je me hebt aangeraakt.
Over de herinneringen die de dag in stukken verdeelt, hoe de tijd aangenaam met ons speelt, de ster die door het raam fonkelt en mijn val breekt.
Over het vintage kleed dat jou drapeert tot een vrouw uit één stuk, over het uitgeruste hoofd dat leest als de letters van geluk.
ik dacht dat je me iets zei
en plooi me naar je toe
maar hoe ik ook plooi
ik hoor in jouw geval enkel
het stokken van je adem
ik ken er ondertussen de
lange stilte van
het is bijna dodelijk wanneer
je naar woorden graaft
om niets te zeggen maar
bedoelt: ik weet dat jij
het bent voor mij
Het was steeds in de nacht dat we naar Zwitserland reden, in een groene slee, over zwart asfalt met witte stippen en strepen, vanaf de oprijlaan. De basketbal tussen de benen posteerde ik me vooraan, op moeders schoot, de rest van de kroost slapend achteraan.
Ik was de kleinste copiloot die nog nooit had gereden, ik was er te jong voor. Mijn daden beperkten zich tot praten, een babbeltje slaan over niets en over het leven, tegen mijn held die me nooit heeft begrepen, ook niet tijdens zijn gevecht tegen de slaap.
En bij de opkomende zon keken we tegen de bergen aan, schokten we naar boven, met de afgrond langs ons heen, om ons te bedwelmen met echoënde vergezichten, het ongrijpbare kruis, omringd met laaghangende wolken en watervalgedruis.
Misschien was het allemaal wat overdreven, te veel prestige voor de buurt. Ik heb mijn hart weggeven aan dat stuk moeder, aan dat stuk natuur.
Het lek tussen twee vuren is terug gedicht
ik vraag me af of ik nu blij moet zijn
of eerder moet huilen
met alle bruggen die ik sloeg
tussen nutteloos en niets.
Het is eerder opgelucht ademhalen
want met de handen in het haar
ga je harder denken
en word je vlugger kaal.
Kijk toch die vogel in het gras
kijk toch die dichter achter het glas
ze zaten allebei in een gouden kooi
terwijl ze hun leven omgooien.
Vuur mevrouw en voor ik het besefte
gleed de rug van mijn hand per ongeluk
langs je zachte wang.
Je blosjes kleurden rood en
je lachje hing verlegen
rond je lippen
terwijl je diep de rook inzoog
die even later langs je
linkermondhoek naar
buiten glipte.
Ik rookte met je mee en mikte
mijn as tussen jouw benen
zodat het gene dat ooit van me was
dicht bij jou zou zijn.
Je kuste me fijntjes en
in de gauwte holde je
naar de trein,
de trein die nooit op een afscheid wacht.
Op de trein zit een vrouw die
niet weet dat ik niet zal slapen
vannacht.
() Op perron negen staat een vrouw
Op perron negen staat een vrouw
te turen naar de sporen,
oneindig zijn de lijnen die
almaar verder gaan, als
twee strepen die verzaken
om elkaar ooit aan te raken
ook al heb je je leven afgereisd.
Ik zoek naar een zin
die goed is voor ons beiden
met een aanhef die geen
verdere uitleg hoeft
een woord dat de
dingen die gebeuren bij de
lurven neemt en ons
door het station sleept, daar
waar we nu al jaren vertoeven.
Op perron negen staat een vrouw
naar de sporen te turen,
dat doet ze nu al enkele uren
wat in dit verlaten station
komt er nooit nog een trein.
() Treinglijden
We zitten allen samen op de trein
die laag tegen de grond rijdt
om het landschap niet verder
open te splijten.
Als we nu eens allemaal
zouden vrijen, met elkaar,
hier, nu, zomaar,
verstrengeld in elkaars haren,
om samen thuis te geraken
met een brede lach op ons gelaat
zodat men ons bij het binnen
komen vraagt: was het leuk
op het werk vandaag?
Vandaag kwam ik ze weer tegen. De daters. Maar niet met elkaar. Zij met een andere hem. Hij met een andere haar. En dat op dezelfde plaats, maar op een andere dag weliswaar.
Ik zie ze zitten, schuin voor me. Een doorloopcafé, een tafel achteraan. De eerste klunzige woorden, na een halve kus op de kaak. Een eerste voorzichtig glas bier. Voor hem. Rode wijn voor haar. De eerste zin zet de toon voor het verdere verhaal. Wat zouden ze mekaar deze keer vertellen? Steeds weer opnieuw? Steeds weer hetzelfde verhaal, over hetzelfde leven, met dezelfde accenten, met dezelfde blaren. Zouden ze mekaar elke keer opnieuw in de ogen kijken? Op zoek naar de achterkant van elkaars ziel? Of zoeken ze troost in hun lege slaapkamer, in de holte van hun hart?
Ze dragen de sporen van het leven. Zij rond de ogen, hij in zijn verward verhaal. Wat wil hij weten? Waar wil zij over praten? Heeft zij al gebaard? Heeft hij al bedrogen? Wat is deze keer het verhaal? Over de kinderen en de zieke hond. Over de hardheid van het leven. Over de verveling van de job. Over niks krijgen en altijd maar geven. Hoe snel zou er over ons worden gepraat? Over elkaars dromen? Over twee sterke armen als vleugels die niet meer zijn dan een gebaar om terug op adem te komen. En de stad te laten voor wat ze is. En zo kunnen ze nog een eind door gaan, zoals de takken van de bomen.
Vandaag kwam ik ze weer tegen. De daters. Ik heb ze daar gelaten. Bij elkaar. In hun waan.
Ik kijk omhoog, naar de lucht
en wacht op een engel,
maar de engel valt niet,
slaat de vleugels niet
uit om bij me te zijn.
Het laatste dat me rest
- met mijn laatste zuchten
van adem, vanaf
het groene ochtendlicht
tot de maan me in vieren
deelt -
is het plukken van wolken,
kleine stukjes,
tot een groot luchtkasteel.
En daar sta ik dan,
als een opblaasbare ridder
verdedig ik het plagiaat
van jouw woorden, die
van op mijn schouder tegen
me spreken,
als ben ik onthoofd.
Ik wacht,
op een engel,
die me bewaart en
in me fluistert:
“Ik neem je mee, als je
in engelen gelooft”
Wees nu eens stil! Als kind kreeg ik dit meerdere keren per dag te horen. Van mijn moeder, van mijn zussen, van mijn broer. Ik was een nogal… babbelgraag kind, zoals dat noemt. Ik besefte als kind ook niet echt wat dat betekende: stilte. Ik dacht dat dat onbeweeglijk op een stoel zitten was. En niet praten. Maar later leerde ik de echte stilte kennen. In haar verschillende gedaantes.
De onaangename stiltes, die loodzwaar kunnen wegen. Wanneer twee geliefden monddood naast elkaar liggen en niet weten hoe ze de stilte nog kunnen doorbreken. Of de stilte in de wachtkamer. Iedereen besnuffelt mekaar vanuit de ooghoeken, maar een gesprek wordt gemeden. Het soort van stilte dat de wereld nerveus maakt en die weggepraat moet worden. Want die loden stiltes leggen meer verschillen bloot dan boeken vol woorden. Maar zo zijn er ook de aangename stiltes. Die een vriend kunnen zijn. In de liefde bijvoorbeeld. Of in vriendschap. Want wie met elkaar de stilte aandurft en aankan, is bestand tegen de latere woorden. En die stilte verdient respect. De woorden die haar doorbreken, moeten de stilte dienen.
Stilte wordt een schaars goed. Ook al is het maar dat onze voortdurende gedachten die onder onze schedelpan in het rond vliegen geen stilte toelaten. Als die stem eindelijk haar mond houdt, is er de ware stilte. De stilte die je nodig hebt om je staande te houden in een wereld vol lawaai. Het moment dat je de stilte vindt, is niet het moment dat je nieuwe kanten aan jezelf ontdekt die je was vergeten. Neen, het is het moment dat je jezelf vergeet. Het moment dat je er alleen maar bént, zonder er iets van te vinden.
Onlangs zag ik nogmaals de film “Into the Wild”. Zowat dé ode aan de zoektocht naar stilte. Wat zou Chris McCandless, de (anti)held in het verhaal, schrikken van al het kabaal dat er over zijn zelfgekozen isolement en dood in een bus in Alaska is ontstaan. Een boek, een film, een soundtrack, een cultfenomeen. Alles behalve stilte…
Dit is geen betoog voor een kop vol leegte. Dat kunnen wij als mens niet aan. Maar wel om je ervaring je ervaring te laten zijn, zonder die altijd mee te delen aan anderen. Hoe of waar dan ook. Zwijgen over je stilte, dat is pas écht stil zijn. Kortom, we maken veel lawaai. Vaak om weinig. Meestal om niets. Parole. Parole. Parole.
Hippocrates, de grondlegger van de westerse geneeskunde, wist het 2400 jaar geleden al: wandelen is het beste medicijn! Stap uit de auto om het landschap te bekijken en het blijft slechts een afbeelding. Wandel erdoor en het wordt deel van je zijn. Hoe het ook met je gaat.
Ik wandel veel en ik wandel graag. Vooral nu. Want wandelen is het gezondste preparaat. Het steeds maar herhalen van schoenen in de aarde. Het ritmisch stampen van de cadans. Het maakt de vastgelopen gedachten vrij en stimuleert de ontwikkeling van een persoonlijk verhaal. Wandelen vraagt niets. Alleen een paar welwillende benen, schoenen en vooral… tijd. We leven allemaal met een auto in ons hoofd. De tijd die we nodig hebben om ons te verplaatsen drukken we uit in benzinetijd. Maar door te wandelen verplichten we ons om stil te staan bij de enige tijd die er is: het nu. Want wandelen laat je het zachte van de traagheid herontdekken, tegenover de dronkenschap van de snelheid.
En wandelen zet aan tot inzichten, invallen en helende gedachten. Vraag dat maar aan Nietzsche. Al tijdens zijn leven wist hij de kracht van wandelen op waarde te schatten. Uren struinde hij alleen rond in de Zwitserse Alpen met zijn potlood en notitieboekje in de hand. Gedachten die hij later herkauwde tot lijvige werken.
Wandelen is breken met de waan van de dagelijkse gang van zaken in de wereld, met de waan in het eigen hoofd. Een terugkeer naar de basis. Een basis voor je eigen schepping. Aan een ritme op mensenmaat. Of zoals Einstein zei: de benen zijn de wielen van de creativiteit!
#HenriA
Wandelen - Een filosofische gids - Frederic Gros - 2013
(*) Kenmerk van slaapverlamming is dat de spieren in het lichaam vlak voor het in slaap vallen of direct na het ontwaken verlamd zijn. Verlamming van de spieren treedt normaliter op tijdens de remslaap. Alleen de oogspieren, de longen en het hart zijn dan nog actief. Deze verlamming treedt op om te voorkomen dat bewegingen in dromen echt uitgevoerd worden. Bij slaapverlamming bevindt de persoon zich als het ware tussen droom en waaktoestand in, waardoor deze zich niet kan bewegen en praten. Dit kan zeer beangstigend zijn voor de persoon in kwestie. (Wiki)
Wanneer onverwachts de nacht valt, het begint te schemeren in het hoofd, zwart niet je lievelingskleur is en de ogen wild om zich heen slaan
trek ik schoorvoetend de stille stad in, schuim langs daken, ramen en etalages op zoek naar licht, maar zie enkel schreeuwerige neonreclames die opflikkeren en me angst aanjagen.
Zie ik een oude magere man die ik probeer te ontwijken, in een praatje maken heb ik geen zin, maar ik ben traag vandaag, lig zomaar voor het grijpen.
Hij kijkt me aan en vraagt me hoe het gaat, ik zeg slechter wordt het niet meer vandaag, want vandaag heb ik alle hoeken en kanten van het leven al gezien.
Een paar dagen geleden kreeg ik net voor middernacht een bericht van een vriend. Hij vroeg of ik nog wakker was. En dat ik thuis was. En of hij mocht langs komen. "Natuurlijk!", tekstte ik hem terug. Voor vrienden is de deur altijd los. Ik wreef het middernachtzand uit mijn ogen, maakte koffie, zette me op mijn terras, keek diep in de nacht en wachtte op de deurbel.
Een half uur later sloop hij binnen en viel letterlijk met de deur in huis. Alvorens ik iets kon zeggen of vragen smeet hij me toe: "Ik heb kanker". Plots zag de nacht nog zwarter en mijn woorden balden zich tot één grote krop samen in mijn keel. Hij vertelde over zijn angsten, zijn onmacht, zijn loutering en zijn berusting. Hij vertelde over hoe zijn oude wonden, opgelopen door het geleden leven, plots waren weggesmolten en zo gezien, banaal bleken te zijn. Hij vertelde over de warme woorden die hij geschonken kreeg van de handvol mensen waar hij het tegen gezegd had. Hij vertelde over de onderkoelde reacties die hij ook kreeg. Hij vertelde dat mensen ook maar mensen zijn. Hij vertelde over hoe onmaakbaar het leven is en dat geluk en ongeluk je beiden overvallen en dat je over geen van beiden misnoegd hoeft te zijn. Hij vertelde over de beproeving, de moeilijke momenten en zijn wilskracht. Hij vertelde over hoeveel wijzer hij geworden was in een paar weken. Hij vertelde over hoe alles nu beter smaakt en intenser proeft. Hij vertelde over het universum en het bestaan. Hij vertelde over de leegheid die hij rond zich zag. Hij vertelde over de lange avond- en nachtwandelingen die hij alleen maakte. Hij vertelde over de rust die dan over hem daalde als hij naar de sterren keek. Hij vertelde. Hij vertelde. Hij vertelde. Hij vertelde dat hij niet dood wil gaan.
En ik luisterde. Uren lang. Tot de zon bijna opkwam. Toen stond hij op, pakte me stevig vast en fluisterde: "Misschien moet je maar eens over mij schrijven...". "Doe ik", prevelde ik hem terug. En hij verdween in de aankomende dag. "Ik schrijf liever over jou, dan over mezelf", is wat ik toen dacht.
Daarstraks fietste ik over de kade naar huis. Rustig draaiend, met het water mee. En daar zag ik haar, het pubermeisje met de weelderige haardos op haar skatebord. Van ver zwaaide ze naar me. Ik fleurde open en riep haar spontaan het koosnaampje dat ik ooit voor haar koos toe. Naar mekaar lachend passeerden we elkaar.
Een vriendinnetje dat haar ondersteunde hoorde ik haar nog net vragen: “Is dat je papa?”. Ik moest glimlachen. Het antwoord hoorde ik niet, daarvoor was ik al te ver voorbij gezoefd. Ik weet niet wat het pubermeisje geantwoord heeft. Het doet er ook niet toe. Nee, ik ben haar papa niet. Maar ik heb haar wel al die jaren erg graag gezien. En nu nog steeds. En zij mij ook. Dat zag en voelde ik. Wij hebben geen sociale media of een eiland nodig om dat van mekaar te weten.
Later - alsGod het belieft -, als ze groot is en de tijd zijn werk heeft gedaan en ze op eigen benen staat, praat ik nog wel eens met haar. Over het leven, over haar dromen, over shoppen, over haar liefjes, over perspectieven, over wonen, over kunst, over cadeautjes. Want dat deden we vroeger ook.
Na het nieuws trok ik mijn jasje aan, stopte mij hoofd ver weg en maakte een wandeling door het bos. Voor een grote boom bleef ik staan. Stokstijf. Zo stond ik daar. Vervolgens kantelde ik mijn hoofd omhoog en keek recht in het gebladerte. Dat deed ik een lange tijd. Ik trok er een blad af en bekeek het langs alle kanten. De nerven vonden moeiteloos hun weg door het doorzichtige groen. Als kleine aderen. Alle bladeren waren hetzelfde. Allemaal geboren uit zonlicht en water tijdens de vorige lente. Het was bijna ondraaglijk om aan de gelijkvormigheid van deze kruin te ontsnappen. Onuitputtelijk gespuwd uit de bron van het leven.
Het was beangstigend om tussen al deze grote bomen te lopen, omringd te zijn door deze enorme, razende kracht van alles wat groeide, in het licht van een verblindende zon. Het bracht me nietig, bijna op de knieën, zoals je doet voor Goden. En ik voelde me klein. Wezenloos. Op een weg richting een einde. Maar dat dacht ik maar voor even.
De klank die dit in mij opriep was er een van verlangen, verlangen naar iets tastbaars, iets concreets, een geboetseerd beeld. Leven! Ik liep verder onder de zongevlekte bomen, door de warme geuren van het bos en ik bedacht me dat ik in het midden van het leven stond. Niet het leven als leeftijd, niet halverwege op de weg van het leven, maar midden in het bestaan.
Mijn hart sidderde en beefde. Mijn hart en ik maakten een sprong. Ook dit zal ik overleven.
Op de vloer een koffer met open armen
vol verwachting naar een reis van verlangen.
Met alles er in wat er weer uit komt, later
alsof wat is gestapeld nooit is geweest.
Ligt de koffer al maanden op de vloer
stof te sparen en te wachten op het ontvouwen
van een broek, de tandenborstelharen
netjes opgespaard, het ezelsoor in het boek. Mijn geur hangt in lagen over mijn net niet laatste
Wie bij mijn dood de koffer vindt zal zeggen:
Wat een triestig einde!
Net nu het regent vandaag
ging hij op reis. Doe de koffer nu maar op slot
De wolken die drijven in slierten en brokken over me heen. Ze stapelen de dagen en je draagt in je zorgen een wolkje voor me mee.
En de zee die verengt in een kolkende engte en ik zeg maar niets. Omdat ik weet dat je niet kan vatten wat ik niet kan verwoorden.
En de zon die verdwijnt van het gras waarop we onze confessies verzwegen, de coureurs aanmoedigden en de Tour de France naspeelden.
Zo zei ik je onlangs, toen ik naast je lag: “levens veranderen, maar mensen veranderen niet. Zoals stervende sterren op lichtjaren verwijderd ook blijven schitteren in de nacht".
Ik weet niet wat je toen dacht. Je zei maar niets.
The vintage, friends, is over.
And here sweet wine makes,
once again,
sad eyes and hearts recover,
puts fire into every vein.
Drowns dull care
everywhere
and summons hope
out of despair (...)