Wat is er?, vraag je me. Niets en alles!, antwoord ik je. Je haakt je ogen in de mijne. Minuten lang. Dat doen we meermaals. Dikwijls, elke dag. In bed, na het wakker worden. Uit bed, doorheen de dag. ’s Avonds, ’s nachts.
Aan tafel, op café, op de bank. Ik wil koffie!, zeg je me. Ik wil de wereld zien!, antwoord ik. Maar toch wil ik eerst koffie. En daarna de wereld. De wereld. Koffie. De wereld. Koffie doet de wereld ontwaken, herinner ik me. Ik spring uit bed. Ik haal koffie. Twee koffies. Want de wereld hebben we al.
The Artist is Present, een performance van Marina Abramovic in het Museum of Modern Art in New York.
Drie maanden lang, 736 uur en 30 minuten om precies te zijn, zat Abramovic dagelijks op een stoel aan een tafel in een museumzaal in het MoMa. Bezoekers konden één voor één aanschuiven en haar in de ogen kijken, zo lang als ze zelf wilden.
Marina Abramovic richt haar ogen op om zich op de volgende bezoeker te concentreren. En daar zit Ulay. Ze waren jaren samen geweest maar hadden elkaar 22 jaar niet meer gezien. In 1988 hadden ze afscheid genomen bovenop de Chinese Muur, die ze allebei vanaf een andere kant hadden beklommen, om elkaar na drie maanden in het midden te ontmoeten. Het was het einde van hun relatie, en de twee kunstenaars waren nadien, gekwetst en getormenteerd, hun eigen weg gegaan...
Na 22 jaar… Abramovic kijkt op, verrast, overrompeld – en dan glimlacht ze. En Ulay glimlacht terug, bijna opgelucht. En zij, zij schuift haar armen over de tafel. Verzoening.
Nu ik kom ga ik je drogen. Want toen je op regenachtige dagen door de regen plensde en verslenste in te kleine portalen, geen vragen stelde over het waarom, want het enige doel was schuilen, je hoofd verborg tussen je forse schouders, ja, dan leek het al wat droger.
En je keek omhoog, naar de wolken omhoog en je voelde je door en door bedrogen. Door het weer na weer en telkens weer dat huilde over de daken. Je klamme hart, je natte hand alles beefde als nooit tevoren. Je staarde, je tuurde, je huilde maar mee op het tikken in de plassen en keer op keer keerde je weer, terug naar natte jassen.
Nu ik kom en droog en handdoeken gooi ga je nooit meer moeten rillen. De zon, de maan, de dag, de nacht hebben allen hun plek gevonden. Ze liggen en staan en waar jij zult gaan zullen ze jou volgen. En ook zal er nog eens regen vallen maar nooit meer uit donderwolken.
In een huis naast de brug over de autostrade
woont een man die nog niet weet
wat hij zich op de hals heeft gehaald.
Ik ken hem niet goed maar wel goed
genoeg om te weten hoe veel liefde
hij in zich draagt.
Als ik geen dichter was, zou ik hem
schrijven en uitleggen waar dit gedicht
werkelijk over gaat.
Ik zou hem beschermen tegen onheil
en opkomend kwaad en vertellen hoe
hij verloren zal lopen in het leven.
Maar dichters praten niet over
wat ze schrijven, laat staan
dat ze uitleg geven.
Hij zal het met scha en schande zelf moeten
ontdekken hoe hij zachtjes aan leeg zal
lopen en uiteindelijk als een steen zal breken.
Tot dat er niets meer van hem
overblijft. En dat, liefste man, spijt me.
Maar weet, een verwittigd man is er twee
waard als je goed tussen mijn regels kan lezen.
De wind wringt zich in bochten, om het platteland, om het akker, waar jij je vruchten verplant. De tanende zon is voor de helft gevuld met regen het vuur in mij is voor de helft koud.
Jouw adem snijdt als glas onze lippen ogen als druppels nectar uit je hart. Van een rijpheid zijn jouw fluisterwoorden die trillen als een krakeling in de nacht.
Jij geeft zinnen aan de opkomende zon, een langgerekte sluier van wit licht, in de ochtendstond worden wij opnieuw verlangen.
Onze passie zal eerlijk worden verdeeld als een hartslag die naar de zeven hemels smacht, bloeien jouw vingersporen verder, dag na dag.
Het is voor jou dat de bomen groen zijn het is voor jou dat de zon zomers brandt het is voor jou dat de bladeren vallen het is voor jou dat het wintert in het land
Het is voor jou dat de honden kwispelen het is voor jou dat de wolken lachen voor jou is het rood van de aardbeien en het parfum van de miljoenen sterren
Voor jou is de pen van dichters voor jou is de sleutel van mijn geheimen voor jou zijn de lippen vol zoetheid voor jou is er geen twijfel meer maar zekerheid
Ik heb jou uit mij gewandeld
Mijn hond en ik
Stap na stap
Door plassen en modder
Soms tot aan de steunzolen
Meestal kniehoog
Nooit droog
Dat hebben we
Samen geklaard
Mijn hond en ik
Stap na stap
Traan na traan
Dag na dag
Week na week
Maand na maand
Niemand beseft waar
Wij al die nachten waren
Onder welke sterrenhemel
Wij
Nadachten
Huilden
Rouwden
Staarden
In 1 ding heb je gelijk
Er is afscheid
En er is afscheid
Maar als je uitgewandeld
Bent weet je:
Het is voorbij
Ik heb het eindelijk
Allemaal losgelaten
Het was een jaar
Van ogen en haken
Maar op het einde
Verscheen er plots
Uit het niets
Een kers op mijn
Zorgvuldig gebakken taart
We hebben de voorbije
365 dagen mooi rond
Gemaakt
Hebben mekaar gelijmd
Na al het
Gezwak
Gezwik
Gekraak
Dat hebben
Mijn hond en ik
Toch maar mooi uitgeklaard
#HenriA
Luka Bloom - You couldn't have come at a better time
Verwachten is een hond die loops door de straat loopt
Verwachten is een volle blaas op de voorste rij van de bioscoop
Verwachten is aanschuiven op stilstaand asfalt
Verwachten is niet kunnen slapen en wachten tot de ochtend valt
Verwachten is een vrijdag die naar weekend smacht
Verwachten is een lijf dat op jouw aanraking wacht
Verwachten is jeuk die maar niet over gaat
Verwachten is een teevee die op testbeeld staat
Verwachten is wolkjes blazen op een leeg perron
Verwachten is een cadeau onder de kerstboom
Verwachten is de tocht naar de nachtwinkel om sigaretten te kopen
Verwachten is een knipperend st-jans-kruis aan overwegslagbomen
Verwachten is hoop die zich opdeelt in kleine hoopjes
Verwachten is een sms-je met een kruisje aan de uitgang
Verwachten zijn droge lippen die naar een stempelkussen verlangen
Verwachten is een nachtmerrie die op stal gaat
Verwachten is aftellen op oudjaar
Verwachten zijn de witte vakjes van het kruiswoordraadsel
Verwachten is een schorre keel aan de toog
Verwachten zijn de vallende ballen van de lotto
Verwachten is maanden wroeten in een volle buik
Verwachten is het ontdooien van een autoruit
Verwachten is de regen die in de rioolputjes loopt
Verwachten is boterhammen met omelet in een brooddoos
Verwachten is de zon die het rijm smelt
Verwachten is wachten tot jij me belt
Verwachten is de lente die alle sappen weer doet stromen
Verwachten is het koekje naast de koffie op een schoteltje
Verwachten is de dichter voor een volle zaal op een leeg podium
Verwachten is het leven voor de dood
We smeren het brood
van de witte weken
met een zacht boterbriefje
en peuzelen tot er op zondag
geen kruimel meer over blijft.
Op maandag schuift de warme bakker
een vers brood onder ons raam,
ongesneden, onbekend van smaak
waar we dan de volgende zeven dagen
weer van kunnen proeven en eten.
De warme bakker heeft
zichzelf niet uitgevonden
hij was gans de tijd al bezig
met het deeg en de oven
maar we wisten het niet.
Wij konden het
gewoon niet geloven
dat hij echt bestaat
De wekker die je wakker maakt
De hond die je elke dag uitlaat
De dagen die voorbij gaan
De nacht die om je heen slaapt
Alles is timing
Je geliefde die je hart in stukken breekt
De troostende sigarettenrook die je inhaleert
Twee mensen die mekaar bij toeval ontmoeten
De woorden die het eerste gesprek voeden
Alles is timing
De eerste wandeling met schuifelende voeten
Lippen die elkaar voor het eerst proeven
De blik die in mekaars ogen blijft haken
Mijn hoofd duizelt van de liefde
voor de sterren,
maar de strijd zal ons afmaken
en dan glimlachen we naar al onze vrienden.
We hangen onze hoofden naar beneden,
rechten onze rug tegen de muur
en ik huil bij het treinstation
omdat ik je gezicht niet kan zien.
Er is geen nieuw begin totdat iedereen ziet
dat de oude manieren moeten eindigen
maar het is moeilijk te accepteren
dat jij en ik één en hetzelfde vlees zijn.
Alles wat ik te zeggen heb is al gezegd,
je hebt het ook al van jezelf gehoord
toen je in je bed lag en niet kon slapen.
En ik,
ik luister naar elke kleine fluistering in de verte
en hoor hoe de stroming versnelt
maar de rivier almaar vertraagt.
Vandaag zag ik een tranengevecht tussen twee mensen, ze ebden en vloedden al weken over en weer en wisten niet waar te stranden.
Ik nam ze bij de hand, leidde hen op de trap, zette ze aan mijn keukentafel en gaf hen koffie en taart.
Ik luisterde naar hun verhalen, keek hen in de ogen en woog de lasten die ze op de schouders dragen.
Ik ben bang om jou te geloven, zei hij. Ik ben bang als de dood, zei zij. En wat met het kind dat we in ons dragen, zeiden ze allebei.
Ik zei niets en liet hen praten, eerst tegen mij en uiteindelijk eindelijk tegen mekaar, zodat ik zonder dat ze het merkten stil kon verdwijnen om verse koffie te maken.
Elke dag zit vol signalen, waarschuwingen tegen gevaar, uitnodigingen voor verborgen gebaren, uitdagende avonturen, boodschappen vol onlust, vertederende gedachten.
Bling, piep, kwak,
tring, ding-dong, tjak,
cijfertjes in een rood kader,
met of zonder bijlage.
De letters stromen binnen in half afgewerkte zinnen van een bedenkelijk allooi, bulken van dramatiek, staan bol van de vragen en verlangens, brengen me in een onderstroom.
Ik loop er omheen, zet de dag op papier, en nog één en nog één om uiteindelijk alle woorden naast me neer te leggen, ik plooi ze tot een hoed en ga er onder wonen.
En zo doe ik niets. Nog niets. Ik snij lijnen door. Ik trek de kronkels in de hersenen recht en ga de dag achterwaarts leven, van achteren naar voren.
[2]
Waarom blijf ik toch antwoorden, replyen op de kromme zinnen en de scheve woorden die eigenlijk overbodig zijn net zoals alle mode- en kookprogramma’s op teevee.
Ik lees Plouvier en hij brengt me raad, neemt me mee doorheen de maanden van het jaar, slaat zijn weerslag tegen mijn gloeiende slapen.
“Niemand weet de weg naar vandaag”, lees ik traag en herlees de woorden zo dikwijls tot dat ik ze proef en voel dwarrelen op mijn maag, de gedachte doet me blaken.
Ik vraag aan mezelf of ik kan slapen, of ik kan snoeien. Ja, de wortels kunnen terug kunnen ademen, ik kan een boom verplanten in een landschap waarin ik graag vertoef.
Dit landschap brengt rust, ook al is het zaterdag, lees ik overal over ieders leed, het is de tijd van het jaar die alle inkomende berichten van vandaag omkleedt.
Ik zag Roos en Roos zag mij. En aan de bar raken we naast mekaar achteraf. En we dronken samen een glas tussen het warme nat van lippen en tong. "Wil je daar dan zijn misschien?", vroeg ze mij. Ik vergis me niet en zet me voor het raam dat de stad zacht omlijst en wacht hoopvol op de eerste sneeuw van het jaar.
Ik verlaat de oude meesters en neem je mee om af te rekenen met alles wat ik heb opgeslagen in mijn geheugen, in mijn handen, in mijn hart, in mijn tranen.
Alles is onbelangrijk, maar ook alles zal blijken onbelangrijk te zijn, ik, de planeet, alle geliefden, alleen het borstbeen blijft overeind.
Wat doe ik met een borstbeen, dat het geen borstbeen meer is maar des te meer een borstbeen is en zal zijn?
Ik ga door het borstbeen, door tot aan de rug om terug tot aan het borstbeen te geraken, om een antwoord te geven op alle vragen voor dat het vragen zijn.
Als de middernachtklokken luiden en de dag stopt met blaffen in mijn hoofd, de avond me een lege bladzijde geeft, dan schrijf ik jou.
Over de voorbije dag en al de fijne gedachten die passeerden, over de koffie in het café om de hoek, over de snelle kus in jouw zetel, de sigaret die we samen opsteken, het aaien van jouw hond.
Over de zachte kilometers die aan me kleven, de zinnen uit jouw half uitgelezen boek, over het beminnen in mijn slaap en de gedachte dat je me hebt aangeraakt.
Over de herinneringen die de dag in stukken verdeelt, hoe de tijd aangenaam met ons speelt, de ster die door het raam fonkelt en mijn val breekt.
Over het vintage kleed dat jou drapeert tot een vrouw uit één stuk, over het uitgeruste hoofd dat leest als de letters van geluk.